De vlucht

Het was op een dag die veel te vroeg begonnen was dat de twintigjarige Arend Weiß uit Teteringen erop uit ging om te zwemmen. In de vroegte van de te vroeg begonnen dag had Arend de roestig rode fiets uit het rommelschuurtje van zijn ouders gehaald. Hij had hem van het slot gehaald en was vervolgens een willekeurige kant op gereden.

Links.

Arend was de zoon van een Duits echtpaar. Ze waren twintig jaar terug in Noord-Brabant komen wonen. Ze waren er toen heilig van overtuigd dat ‘Arend’ bij ons een normale naam was voor een kind, en niet het soort naam dat in het Nederlands gereserveerd was voor krachtige, dagactieve roofvogels. En dat was het begin van hoe het zo gekomen was.

De ouders van Arend hadden niet door dat hij de vorige nacht teruggereisd was vanaf de stad waar hij als vuilnisman werkte. Ze hadden niet door dat Arend die nacht in zijn ouderlijk huis op de bank had doorgebracht. Zij zouden pas veel te laat ontdekken dat hun zoon een tiental bakstenen uit de tuin had meegenomen en daarna met een rugzak vol naar het dichtstbijzijnde meer was gefietst.

Er waren in de buurt van Teteringen genoeg meertjes dichterbij dan het grote meer waar Arend uiteindelijk aan de rand van terecht was gekomen. Het was een imposant meer, omringd door bos, en het glom in de tussen-de-middagzon. Arend was best tevreden met het door hem gevonden meer. Het voldeed aan alle eisen en dat was genoeg. Arend gooide zijn fiets in het hoge gras en ging er naast zitten. Ja, daar zat hij dan, achterovergeleund, steunend op zijn handpalmen. Arend keek naar het meer en de zon en de brug en zijn rode All Stars, waar hij nog steeds erg trots op was, en toen dacht hij aan gisteren.

Gisteren was de dag van het jaar die het alller-te-vroegst was afgelopen, dacht hij bij zichzelf. Er waren wel meer dagen te vroeg afgelopen in zijn leven. Zaterdag bijvoorbeeld liep bijna altijd te vroeg af. Maar gisteren sloeg alles. En het was niet eens een zaterdag geweest.

Nee, da’s niet waar. Het was gisteren wel een zaterdag.

Of was het… Arend fronste. Hij wist van zichzelf dat hij niet zo slim was en hij wist dat het zomer was en dat hij dan helemaal niet meer bij kon houden of het zaterdag was of niet. Het maakte ook niet veel uit; als vuilnisman werkte hij vijf dagen achter elkaar en dan twee niet. Arend vergat bovendien wel vaker dingen. Soms, zoals in dit geval, vergat hij bij te houden welke dag het was, maar hij vergat ook wel eens dingen met zich mee te nemen of bijvoorbeeld wat hij de dag ervoor gedaan had. Soms was hij een feit vergeten, maar soms bleek later dat hij het gewoon nooit geweten had. Vaak vergat Arend dat hij al honderd pagina’s in zijn boek gelezen had en begon dan opnieuw. Hoe dan ook, Arend vergat nooit dat hij niet zo slim was.

Dat was er bij hem ingestampt vanaf het moment dat hij pak-em-beet twee-en-een-half jaar oud was. Het was daar in de eerste plaats ingestampt door zijn ouders en later door zijn basisschoolleraren, de ouders van zijn klasgenootjes en de kinderen van de ouders van zijn klasgenootjes. Die hadden samen een lied gemaakt waarvan de tekst voor het grootste deel bestond uit “Arend, Stom, Arend Stom, Stom Stom, Arend Arend, Stom”.

Arend nam zijn Stom-Zijn altijd maar voor waar aan, haalde zijn schouders erbij op en begon voor de zoveelste keer het eerste verhaal in zijn favoriete verhalenbundel te lezen. Zijn klasgenoten op de middelbare school besloten op den duur te stoppen met zingen, aangezien Arend zelf inmiddels meerdere malen had aangegeven het wel door te hebben. Zijn ouders waren echter nog niet zo ver en zongen het speciaal voor Arend bedachte lied, zij het in de Duitse vertaling, nog steeds regelmatig. Arend floot het lied onbewust zelf terwijl hij zijn tas leeghaalde. Zijn slippers, verhalenbundel, contactlenzendoosje. De bakstenen liet hij in de rugzak zitten.

Zijn zwembroek was hij vergeten mee te nemen. Nou ja, het maakte nu toch niet meer uit. Desnoods ging hij in al zijn kleren het meer in. Behalve zijn schoenen. Die moesten uit. Hij bukte zich naar zijn schoenveters en voelde de wind door zijn krullen waaien. Zijn schoenen waren de hare.

Het was op een feestje dat gisterenavond veel te laat begonnen was. Althans, het feestje begon op de tijd waarop feestjes normaal gesproken beginnen, maar hij was er later en zij ook en pas toen ze elkaar vonden, wat nog veel later was, begon het feest echt. Ze had rode krullen, absoluut niet het soort rood van zijn schoenen, en ze had sproeten en groene ogen en een heel brede mond en een truitje aan dat net niet tot aan haar broek kwam, waardoor je haar onderbuik een beetje kon zien en die was ook mooi. Hij had zijn rode schoenen aan en zij had ze gezien.

“Mooie rooie schoenen,” had ze tegen hem gezegd. Hij had gezien dat ze het meende.

“Jij hebt makkelijk praten, zo mooi als je bent.”

Hij was er een beetje van geschrokken dat hij dit gezegd had en zij had zich vervolgens aan hem voorgesteld als Wieke, wat goed was. Ze hadden een gesprek over hoe ze op dit feest gekomen waren en waar vandaan dan en Arend merkte dat het bovengemiddeld goed ging voor zijn doen.

In de regel was Arend namelijk niet zo goed met meisjes en meisjes waren, zo mogelijk, nog veel slechter met Arend. Meestal bestond het contact in zijn verleden vooral uit de momenten waarop de meisjes probeerden Arend tegen zijn knieën te stompen; één van de agressievere pasjes uit de dans die hoorde bij “Arend, Stom, Arend Stom, Stom Stom, Arend Arend, Stom”.

Nu bestond het contact echter uit Wieke die hem aankeek en ergens op de avond zelfs een glas wijn voor hem was gaan halen. En hij vertelde alles wat hij wist en zelfs een paar van de dingen die hij eigenlijk weer vergeten was, zoals het verhaal over De Prinses Met Het IQ van 394 en over de winkel waar hij zijn schoenen gekocht had. En zij had geknikt en gelachen en hem meegenomen naar het dak van het huis van het feestje. En het was op het dak van het feestje dat te laat begonnen was, dat ze hem gezoend had en hij haar terug.

Arend zette glimlachend zijn schoenen opzij. Waarschijnlijk zouden ze daar wegrotten tot ooit iemand alleen maar de veters zou vinden en zich af zou vragen wat de veters van twee rode All Stars daar nou toch zouden doen in het gras, maar het waren toch háár schoenen en het was niet zijn recht ze nat te maken. Nu twijfelde Arend of hij zijn sokken aan moest houden. Zonder schoenen zag dat er belachelijk uit. Niet dat iemand het ging zien, maar toch. Hij ademde diep in door zijn neus. Hij kon de zon niet ruiken.

Zijn ouders waren inmiddels wakker geworden en hadden Arend’s weekendtas in de gang zien staan. Ze hadden zelfs gemerkt dat de roestig rode fiets uit het rommelschuurtje verdwenen was. Toch had dit verder weinig effect, behalve een korte herneming van de klassieker “Arend Blöd” in de huiskamer.

Een visje bewoog tussen zijn tenen. Arend keek naar beneden, maar kon niets zien door het vieze water. Bovendien had hij zijn contactlenzen al uitgedaan. Het kinderboek moest hij dan ook tegen zijn neus aanhouden om het te kunnen lezen. Niet dat het echt moest; hij kende het verhaal uit zijn hoofd.

Terwijl in de stad een roodharig meisje een vuilnisman probeerde te bellen en twee Duitsers in hun vinexwoning in Teteringen een spotlied zongen, las Arend Weiß een kinderboek. Hij las nog een keer over prinses Wanda. Over hoe de dappere ridder Appie haar wilde redden van de draak. Over hoe goed Appie dat kon en hoe de prinses zodoende met hem trouwen zou. Maar de prinses had een IQ van 394 en toen ze erachter kwam dat Appie dom was, moest ze van hem scheiden. Zij kreeg de kinderen. Met de prinses kwam het uiteindelijk goed, maar hij bleef voor altijd de domme ridder. Dat laatste stond er niet, maar dat wist Arend heus wel. De hengsels van de zware rugzak trokken striemen in zijn schouderbladen. Voor de laatste keer las Arend het verhaal dat hij allang kende.

Eenmaal in het midden van het meer was ook Arend’s hoofd onderwater. Het boek was uit en liet hij los. Even leek het alsof hij vloog.

Twee rode All Stars bleven achter in het gras. In het midden van het meer dreef een kinderboek.

Het feest was allang voorbij maar zij was op het dak met haar hand door zijn krullen gegaan en hij had op de grond gelegen en omhoog gekeken, naar haar pols. Hij had haar omhelst en op d’r neus gekust en zelfs, na lang twijfelen of hij dat wel durfde, even over haar onderbuik geaaid. Ze had er haast vertederd naar gekeken. Ze slikte.

“Wil jij met mij…”

“Van schoenen ruilen?,” maakte hij haar zin af. Zij moest lachen. Hij ook.

“Jij past mijn schoenen niet.”

“Dan ruilen we, maar lenen we ze aan elkaar uit. Dus jij houdt je hakken aan, maar dan zijn ze van mij”.

Opnieuw lachte ze. Het was de beste oplossing.

Door mij springen mensen van een flat

Jochem:

Ze zeggen wel eens dat als er iets heel verschrikkelijks gebeurt
zoals een auto-ongeluk
dat de tijd dan even heel erg langzaam gaat.
Er is iets verschrikkelijks gebeurd
Zoals een auto-ongeluk
Niet een echt auto-ongeluk
Maar wel iets met meer dan blikschade
En nu staat de tijd stil.
En hoef ik niets te hoeven.
Want ik ben op vakantie.
En ik blijf.

 

Janna:
Ze zeggen wel eens dat als er iets geweldigs gebeurt
Dat je de loterij wint of een ijsje krijgt van een vriendin
Dat dan alles heel snel lijkt te gaan.
En dat alles voor je het weet veranderd is.
Dat je de koe van de buren niet meer kan zien.
Maar er is niets geweldigs gebeurd.
Geen loterij geen ijsje.
Waarom gaat alles dan zo snel?
Hij moet weg.

 

Donderdag 3 en vrijdag 4 juni speelt de voorstelling ‘Door mij springen mensen van een flat’ op het festival In De Maak van de Toneelacademie Maastricht. Wouter van Oord en Ilse Ott spelen hem (voortreffelijk) in de regie van Esther Schouten. Komt dat zien!

HZT 2: De Lady Gaga van Limburg

Zes weken lang trekt de caravaan van Het Zuidelijk Toneel (HZT) door Noord-Brabant en Limburg. Daar leidt artistiek leider Matthijs Rümke elke week een gesprek over de stad waar hij terecht gekomen is. Een gesprek ter contemplatie, fascinatie en inspiratie. In het algemeen, maar ook specifiek voor de voorstelling die  HZT volgend jaar maakt: De Opkomst en Ondergang van de Stad. Helemaal achteraan in de stoet loopt, schoorvoetend, theatraal notulist Daan Windhorst. Elke week sluit hij het gesprek af met een theatrale samenvatting van het eerder gesprokene. Deze week: Heerlen.

Het is de taak van de notulist om te schrijven wat er gezegd wordt. Het is de taak van de theatraal notulist, ondergetekende, om te schrijven waar we zijn en waar we aan toe zijn. Dat is moeilijk.

Ik ben nog jong. Kan ik ook niks aan doen. Als u mij tien jaar geleden verteld zou hebben dat ik hier in een grijs colbert voor u zou zitten, zou ik u belachelijk gemaakt hebben. Als u mij verteld had dat ik het heel gewoon zou vinden dat mijn vrienden hoeden zouden dragen, of bretels, dan had ik u waarschijnlijk beschouwd als een idioot.

En dat bent u misschien ook wel, maar dan wel een visionaire idioot. Of een idioot met een tijdmachine.

Als ik de foto’s uit uw studententijd zie, dan zal ik u waarschijnlijk gewoon weer een idioot vinden. Tijdmachine of niet.

Die kleren, die kleurencombinaties. Dat belachelijke kapsel. Die snor.

Hoe is dat in godsnaam ooit mogelijk geweest?

Ik zal u, en dat spijt me heel erg, een idioot vinden. En als ik over dertig jaar in een schouwburg een praatje doe, zal mijn publiek mij een idioot vinden. Vanwege die gekke grijze colberts die de spreker in zijn jongere jaren droeg.

Want dat is hoe de dingen gaan. Binnenkort komt de tuinbroek helemaal terug.

Ik waarschuw u alvast.

Het is de mens eigen om terug te kijken op snorren die ooit heel kek waren en er nu stiekem om te gniffelen. Of er van te balen. Of er de bouwvergunning van intrekken.

Het is de mens eigen om nu naar de muziek van Rammstein te kijken en… nou ja, u heeft de uitdrukking op uw eigen gezicht niet gezien, maar ik wel.

Zie daar,

in die snorren en die tuinbroek, in dit grijze colbert en Rammstein;

In dat roodbruin uit de jaren zeventig. Zie hier de opkomst en ondergang en opkomst van een boerendorp wat daarna geen stad werd. Maar een tuinstad. Of mijnstad. Of dorpstad. Of mijntuin. Stadscentrumloze mijnstaddorptuin.

Om eerlijk te zijn, ik heb geen idee waar ik ben. Ik kwam te laat voor deze brunch, heb de inleiding gemist en onderweg niet om me heen gekeken. Ik heb geen idee waar ik ben.

Maar als ik u mag geloven, ook al heb ik u net een idioot genoemd, wat niet aardig was,

Maar als ik u mag geloven mag ik aannemen dat ik terecht ben gekomen in een dorp van 5000 inwoners, wat daarna exponentieel groeide. Om weer kleiner te worden. En toen weer groter. Om binnenkort weer te gaan slinken. En daarna ongetwijfeld weer groter te worden.

Dat ik terecht ben gekomen in een stad met durf. Een stad die zich niet, zoals Maastricht, kleedt in een evergreen. Geen veilige keuzes zoals het driedelig pak of de All Stars-gymp (die al zeventig jaar meegaat), maar eeen stad die de fashion statements opzoekt. Niet altijd-goed-André Rieu, maar de, laten we zeggen, Lady Gaga van Limburg. Een experimentele, gewaagde vrouw waarvan iedereen zich afvraagt of ze het mooi vinden of verschrikkelijk. Een stad van de toekomst.

Kan je een oordeel geven over de tijdsgeest van nu? Nu ben ik blij met mijn grijze colbert en u met het maankwartier.

Maar als je Lady Gaga bent dat zorgt ervoor dat je, eens in de zoveel tijd, terugkijkt op je snor en je bakkenbaarden van toen en je daarvoor schaamt. Dat je erachter komt dat je toch niet de Eiffeltoren hebt gebouwt, of die kubus bij het Louvre, maar een Hoog-Catharijne. Een vogelaarwijk.

En dan moet je je assen even verleggen. Dat is het gevaar van Gaga zijn. Daarom mogen we blij zijn dat er in de jaren vijftig en zestig een slap bestuur in Maastricht zit. Maar hoe weet je wanneer je een Louvre en wanneer je een Hoog Catharijne bouwt?

Esthetiek ìs tijdbeeld. Alles veroudert.

Soms op een mooie manier, zoals Meryl Streep, George Clooney of Sean Connery, soms op een minder mooie manier. Zoals bijna alle mensen die niet George Clooney zijn.

Als een van u daadwerkelijk een idioot mèt een tijdmachine is, dan zou u een fortuin kunnen verdienen in de architecteur. En op de beurs, maar dat terzijde. Tot de tijdmachine zullen we ons, is mijn stellige mening tenminste, neer moeten leggen bij het feit dat sommige dingen lelijk worden. En dat sommige dingen opeens lelijk gevonden worden.

Want soms worden dingen ook opeens heel lang heel mooi gevonden. En dat is het grote voordeel van Heerlen zijn. En niet Maastricht.

HZT 1: De Kleiende Nederlander en de Koppige Mens

Zes weken lang trekt de caravaan van Het Zuidelijk Toneel (HZT) door Noord-Brabant en Limburg. Daar leidt artistiek leider Matthijs Rümke elke week een gesprek over de stad waar hij terecht gekomen is. Een gesprek ter contemplatie, fascinatie en inspiratie. In het algemeen, maar ook specifiek voor de voorstelling die  HZT volgend jaar maakt: De Opkomst en Ondergang van de Stad Helemaal achteraan in de stoet loopt, schoorvoetend, theatraal notulist Daan Windhorst. Elke week sluit hij het gesprek af met een theatrale samenvatting van het eerder gesprokene. Deze week: Eindhoven.

De notulist heeft doorgaans de taak op te schrijven wat gezegd is. De theatrale notulist, ondergetekende, heeft de taak te noteren waar het over gaat. Waar we het over hebben.

Moeilijk.

We hebben het niet over Eindhoven. We hebben het ook niet over Woensel.

Nou ja.

We hebben het natuurlijk wel over Eindhoven, laten we elkaar geen mietje noemen. We hebben het over Woensel en bliksembos en Jagershoef en ’t hol en alle andere lieflijk hobbit-achtig aandoenende namen.

Maar we hebben het ook over Nederland in ’t algemeen.

Ja duh.

We hebben het over Nederland omdat we het hebben over de gedachte van de maakbaarheid. Nederlanders spelen niet met blokken of marionetten, maar met klei. De Nederlander kleit op zijn gemak zijn hobbitlandschapje. Hij bedenkt een perfecte wijk – een enorme wijk! – en kleit die – op ‘één per ongeluk nog kronkelende weg na – perfect neer.

We hebben het ook over de mens.

Ja duh.

De koppige mens. De ouders van kinderen die kost wat kost – ondanks de buitenwereld – hun kinderen op hun eigen manier op willen voeden. De koppige mens, die ondanks de cijfers, blijft volhoeden dat zijn wijk vol buitenlanders zit. Die allemaal met bloempotten gooien!

Maar mijn kind niet.

De koppige mens die zich af wil zetten. Tegen zijn  ouders, tegen de alloch- of de autochtonen. Tegen, of juist vóór de gemeenschap. En dan de kleiende Nederlander die de koppige mens als probleem voor zijn hobbitstee ziet. Want koppig woont niet graag met koppig. En de koppig kleiende Nederlander wil dat iedereen dat wel wil.

En dus kleit de Nederlander een ‘toezichthouder op het goede leven’. Prachtig! De kleiende mens op z’n best. De buurmanregisseur! De maatschappelijk werker! De vrijwilliger.

Er is geen enkel land ter wereld waar de leefbaarheid zo gecontroleerd wordt, zo gecreëerd wordt.

Dat is waar we het vandaag over hebben. De kleiende Nederlander, de koppige mens. En hoe dat niet altijd samen gaat.

Nog altijd blijft Woensel een ‘leuke wijk om te wonen’. Met een brasserie. En diagonale straten.

Nog altijd zijn er generatiekloven en drop-outs (die weliswaar niet meedoen). En nog altijd zijn er jongeren die scooters en ouderen die een soos willen.

Nou ga ik heel even een stukje terug.

We hebben het niet over de banlieus. Of zelfs over de afrikaanderwijk in Rotterdam. We hebben het over Eindhoven.

Over Woensel.

Mensen die allemaal hun eigen pioniers zijn en de rest soms losers vinden.

En dan is er geen conclusie. Geen idee hoe de dingen te keren. Hoe het naar elkaar te laten drijven. Geen conclusie, behalve dat we dit samen moeten doen.

Dat we allemaal koppig blijven. En dus ook allemaal moeten blijven kleien.

Rouwrandjes

Het is makkelijk een lijst van haar slechte eigenschappen te maken. Dat weet ik, dat heb ik dertig jaar geleden eens geprobeerd. Ze was er niet blij mee. Ze heeft, op een nacht, al mijn haren van mijn hoofd kortgeknipt. Nooit heeft ze toegegeven dat zij het gedaan had, laat staan dat het over de lijst ging. Maar het ging over de lijst. Ik heb hem goed verstopt.

Ze dwaalt snel af. Van boeken en verhalen.

“Begrijp me goed,” mompelt ze dan tegen me, “ik lees graag literatuur, maar alleen de goede. De echte.” Met een halfslachtig gebaar van haar hand wordt duidelijk dat dit boek niet bij de echte literatuur hoort. Ze probeert het telkens weer.

Maar als het niet goed is of echt, dwaalt ze af. Naar boodschappenlijstjes of buiten. Naar het hardhout van de rugleuning. Naar haar blote tenen die ze iets dieper het Perzische tapijt in duwt. Soms valt ze in slaap.

Ze heeft lange vingers. En dus lange nagels. Lange nagels en dus snel rouwrandjes; stof en viezigheid onder haar donkerrood gelakte nagels. Stukjes dood insect of as, stukjes die ze dan een tijdje met haar meedraagt. Als een handtas.

Als ik een slecht, middelmatig of degelijk boek in mijn kast heb staan, zie ik dat aan de hoekjes van het papier. Die heeft ze dan gebruikt om viezigheid onder haar nagels vandaan te halen. Ik heb op zolder boekenkasten vol met middelmatige, besmeurde literatuur. Die boeken lees ik nu het liefst.

Oud Vers © 2010. Theme Squared created by Rodrigo Ghedin.